Vredesmissies
Niet overal ter wereld is het zo veilig als in Nederland. Soms zijn er brandhaarden die een militaire vredesoperatie noodzakelijk maken. Om vrede te bewaken of om vrede af te dwingen. Het Korps Mariniers kan tijdens een vredesmissie ingezet worden om strijdende partijen uit elkaar te houden of bijvoorbeeld bescherming bieden tijdens verkiezingen. Heliktopters en schepen worden ingezet om op zee scheepvaartverkeer te controleren op verboden goederen bij een wapen- of handelsembargo, of bij de bescherming van koopvaardijschepen. Onderzeeboten verzamelen inlichtingen en beschermen marine- en koopvaardijschepen.
Verschillende vredesmissies
De Koninklijke Marine is de afgelopen jaren tot op heden veelvuldig ingezet voor vredesmissies. Zowel ter zee, als ter land en in de lucht hebben eenheden opgetreden. Soms was alleen aanwezigheid voldoende om erger te voorkomen en andere keren moest daadwerkelijk worden ingegrepen.
Hieronder verschillende voorbeelden van inzet tijdens vredesmissies.
Europese vredesmissie in Tsjaad (vanaf juni 2008- heden)
Een detachement van zo’n 60 mariniers neemt vanaf juni 2008 tot heden deel aan de Europese missie in Tsjaad en de Centraal Afrikaanse Republiek. Hun taak bestaat uit het uitvoeren van verkenningen in het oosten van Tsjaad.
Aan de EUFOR-missie doen in totaal veertien landen mee met in totaal 3700 militairen en is de grootste Europese militaire operatie tot nu toe. EUROF heeft als doel om de honderdduizenden vluchtelingen en ontheemden uit de regio te beschermen. De missie moet zorgen voor stabiliteit in het oosten van Tsjaad, in het gebied dat grenst aan de West-Soedanese regio Darfur. Doordat de conflicten in Soedan, Tsjaad en de Cetraal Afrikaanse Republiek de afgelopen paar jaar in toenemende mate met elkaar verbonden zijn geraakt is het van groot belang de situatie in het oosten van Tjsaad te stabiliseren.
De missie duurt tot 15 maart 2009. Hierna nemen de Verenigde Naties de taken over.
Inzet speciale eenheden Korps Mariniers (vanaf 1997-heden)
Speciale eenheden van het Korps Mariniers worden regelmatig ingezet. In het kader van SFOR-operatie in het voormalige Joegoslavië (1997-1998) en in het kader van Operation Enduring Freedom in Afghanistan (2005) hebben speciale eenheden van het Korps mariniers verkenningsopdrachten uitgevoerd. Ook in het kader van de SFOR- operatie hebben enkele speciale eenheden van het Korps Mariniers aanvallende acties uitgevoerd. In de periode van 2003-2004 hebben zogenaamde “Guard Teams” deelgenomen aan maritieme acties in de Arabische Golf. In het kader van de operatie Allied Force (Albanie, 1999) en de UNMEE-missie (Eritrea, 2001) hebben diverse teams beveiligingsopdrachten uitgevoerd. In het kader van de nationale terreurbestrijding zijn meerdere teams van de BBE(M) in 2001 in actie gekomen bij de tunnelincidenten in Rotterdam en Amsterdam.
Korps Mariniers, Operatie Greenfield (Irak, 2003)
Operatie Greenfield had tot doel de illegale wapenhandel in de Iraakse plaats As Samawah aan te pakken. Uit het logboek van de marinierseenheid van komt het volgende citaat: “Omdat het ongezien naderen van de wapenmarkt onmogelijk was en dit juist de cruciale succesfactor leek te zijn, werd besloten om met lokale taxi’s naar de markt te gaan. Van deze roodwitte auto’s reden er honderden rond. Om nog meer op te kunnen gaan in het normale straatbeeld droegen we shamag’s, hoofddoeken die de lokale mannen dragen.” De bevolking was inderdaad zeer verbaasd dat ineens allerlei mariniers uit taxi’s sprongen en de markt afzetten. Handelaars en kopers probeerden nog allerlei kanten op te vluchten maar deden dit tevergeefs. Nadat de ring om de markt was gesloten, zaten ongeveer 300 personen in de val en werd elk winkeltje op de markt doorzocht op wapens. Er werden 83 verdachten gearresteerd en grote hoeveelheden wapens en munitie in beslag genomen.
De bevolking reageerde positief op de actie; een duidelijk signaal was afgegeven. De keuze voor een onorthodoxe aanpak bleek een sleutel tot succes. Door gebruik te maken van lokale taxi’s kon de eenheid als het ware in het dagelijkse straatbeeld opgaan. Dankzij het verrassingseffect konden de mariniers de markt snel afsluiten en illegale wapenhandel tegengaan.
De bescherming van scheepvaart in risicogebieden (2003)
Tijdens de oorlog in Irak vonden veel militaire transporten van en naar de golfregio plaats. Veel van deze scheepvaart verliep via de Straat van Gibraltar. Uit diverse inlichtingen bronnen werd duidelijk dat de kans op een terroristische aanslag tegen dergelijke schepen aanwezig was. Hierop besloot de Nederlandse regering om deze schepen door de marine te laten beschermen. Hr.Ms. Abraham van der Hulst kreeg de opdracht om de scheepvaart door de Straat van Gibraltar te escorteren. Het fregat voer in verhoogde staat van paraatheid. De boordhelikopter werd met een mitrailleur uitgerust en patrouilleerde in de omgeving op zoek naar verdachte bewegingen. Onbekende scheepvaart werd op afstand gehouden en bewegingen aan de kust werden onmiddellijk onderzocht. Tijdens de periode dat de van der Hulst deze escortetaak uitvoerde hebben zich geen terroristische incidenten voorgedaan.
Hr.Ms. Philips van Almonde in de Straat van Hormuz (2001 en 2002)
Hr.Ms. Philips van Almonde nam tussen december 2001 en juni 2002 als eerste Nederlandse fregat deel aan de operatie Enduring Freedom. Tot zijn taken behoorde het escorteren van schepen door de Straat van Hormuz. Vanwege de terroristische dreiging die van kleine boten uitging, besloot de commandant van de Almonde agressief te manoeuvreren en de boordhelikopter om het schip te laten vliegen om potentiële terroristen op afstand te houden.
Inzet van de Duik- en Demonteergroep tijdens UNMEE-missie (2001)
De Duik- en demonteergroep werd tijdens UNMEE- missie in Eritrea ingezet omdat er, vanwege de voortdurende strijd tussen Ethiopische en Eritrese strijdkrachten, geen geactualiseerde kaarten van de mijnenvelden in de operatiegebieden bestonden. Ook was veel mortier- en geschutsmunitie door de strijdende partijen achtergelaten waardoor de begaanbaarheid van de wegen in het geding was.
De prioriteit lag bij de aanvang van de missie op de hoofdwegen. Na de komst van 150 Slowaakse pioniers konden ook de secundaire wegen op mijnen worden gecontroleerd. Vervolgens werden de veilige routes in kaart gebracht. Gedurende de missie werden door de DDG, in samenwerking met de Slowaakse pioniers, ongeveer 1400 explosieven geruimd.
Het Lido II incident (Adriatische zee, 1994)
Gedurende de crises op de Balkan voerde de NAVO een embargo-operatie uit voor de kust van Servië-Montenegro. Schepen uit de NATO Standing Naval Forces vormen een blokkade in de Adriatische Zee om te voorkomen dat schepen de havens van Servië-Montenegro binnenlopen. De NAVO-schepen opereren in de internationale wateren en mogen niet in de territoriale wateren van Servië-Montenegro. Als een schip door de blokkade breekt en in de wateren van Servië-Montenegro terechtkomen, dan is hij in veiligheid.
Op zondagochtend 1 mei 1994 wijkt een olietanker onder Maltese vlag, de Lido II, plotseling van de opgegeven route af en steekt op volle kracht op naar de territoriale wateren van Servië-Montenegro. Marineschepen vragen onmiddellijk wat het schip van plan is, maar zij krijgen geen duidelijk antwoord.
Terwijl de Lido II op volle kracht door de blokkade wil breken, varen ook enkele Servische fregatten en patrouilleboten op hoge snelheid naar de tanker. Inmiddels is aan boord van Hr.Ms. Van Kinsbergen (S-fregat) de helikopter gereedgemaakt en stappen leden van de Bijzondere Bijstandseenheid van het Korps Mariniers in. Ook worden gevechtsvliegtuigen door de marineschepen richting de olietanker gestuurd.
De NAVO-schepen gaan naast de tanker varen en een gevaarlijk dreigingsspel volgt. De Lido II meldt dat er lekkage is in de machinekamer, waardoor het schip zou kunnen zinken. Als dit waar is, is de kans op een milieuramp enorm. De situatie wordt steeds dreigender, waarbij enkele Servische patrouilleboten gevaarlijk dicht langs NAVO-eenheden varen en waarbij zij laten merken dat hun wapensystemen gereed zijn om te vuren.
Dan wordt het boardingteam van de Van Kinsbergen met de Lynx helikopter aan boord van de tanker gezet. Binnen korte tijd hebben de mariniers de controle over het schip. De lekkage in de machinekamer blijkt veroorzaakt te zijn door sabotage van de bemanning. De Lido II wordt nog in internationale wateren gestopt.
Inzet fregatten in de Perzische Golf (1990/1991)
Op 2 augustus 1990 viel Irak Koeweit binnen. De VN Veiligheidsraad eiste onmiddellijke terugtrekking van de Iraakse legers en kondigde een handelsembargo af dat desnoods met geweld zou worden afgedwongen. Een groot aantal landen stuurde daarom schepen naar de Golf. Nederland stuurde 2 fregatten naar de Perzische Golf: Hr.Ms. Witte de With en Hr.Ms. Pieter Florisz. Op 9 september 1990 voerden ze de eerste patrouille uit in de Golf van Oman. De Nederlandse schepen werkten daarbij samen met 2 Belgische mijnenjagers. Voor de beveiling tegen luchtaanvallen waren op de Belgische schepen Stingerteams van het Korps Mariniers geplaatst. Het operatiegebied lag eerst in de Straat van Hormuz, later in nagenoeg de hele Perzische Golf. In december 1990 losten Hr.Ms. Philips van Almonde, Hr.Ms. Zuiderkruis en Hr.Ms. Jacob van Heemskerck de beide schepen af. Hr.Ms. Jacob van Heemskerck werd ingezet voor de bescherming van de Amerikaanse vliegdekschepen tegen eventuele aanvallen van Iraakse Mirages bewapend met Exocet-raketten. Hr.Ms. Philips van Almonde werd ingezet in het zuidelijke deel van de Perzische Golf om koopvaardijschepen te beschermen.
Mijnenjagers naar de Golf (1987-1989)
Tijdens de Eerste Golfoorlog ontstond de tankeroorlog tussen Irak en Iran. Irak wilde de olie-export door Iran verhinderen; Iran reageerde hierop met aanvallen op schepen uit de andere golfstaten. Tijdens deze oorlog zijn ongeveer 200 Exocets op schepen afgevuurd. De Verenigde Staten besloten daarop olietankers uit Koeweit onder Amerikaanse vlag te escorteren. Vanaf 1987 begon Iran met het leggen van mijnen, in de Golf van Oman, de ankerplaats voor olietankers voor ze zich in de Perzische Golf waagden. Dit was de aanleiding voor de internationale gemeenschap zich te mengen in het conflict. In september 1987 werden de mijnenjagers Hr.Ms. Hellevoetsluis en Hr.Ms. Maassluis naar de Golf gestuurd. België sloot zich aan met twee mijnenvegers en een bevoorradingsschip en de operatie kreeg de codenaam Octopus. Vanwege de dreiging van raketten (Exocets) werden Stingerteams van het Korps Mariniers op de Nederlandse en Belgische schepen geplaatst. Het Operatiegebied was de Golf van Oman en het zuidelijke deel van de Perzische Golf. Vooral in de Straat van Hormuz bestond grote kans om onder vuur van vijandelijke raketten te komen. De Nederlandse schepen zochten en ruimden gedurende 6 maanden mijnen in het gebied.
Operatie Allied Force (voormalig Joegoslavie, 1999)
Zo kwam de Koninklijke Marine er na de Kosovocrisis openlijk voor uit dat Hr. Ms. Dolfijn als spion had gediend. De 68 meter lange onderzeeboot hield zich op in de kustwateren van de Joegoslavische Federatie. Voornamelijk voor de deur van de havenstad Bar, waar de Joegoslavische marine enkele patrouilleschepen van de Koncar- en de Mirnaklasse had liggen. Deze schepen, gewapend met twee SS-N-2B Styx-raketten, plus de vier onderzeeboten (twee Sava- en twee Herojklasse) in de baai van Kotor, vormden een reële bedreiging voor de geallieerde vloot in de Adriatische zee.
De toenmalige commandant van Hr. Ms. Dolfijn, luitenant ter zee 1 Henk-Jan Kuin, vertelde later aan de Defensiekrant dat er aan boord „absoluut een gevoel van oorlog” heerste. „We hebben voor het eerst met de vier torpedobuizen geopend en alles op scherp, gevaren in geval er opgetreden moest worden. Een eventuele vijandelijke onderzeeboot zou het openen van de buizen immers horen en daarmee hadden we onszelf weggegeven.”
Op de Dolfijn hield men de omgeving zowel met de antennes als met het blote oog in de gaten. „Het meest voeren we met een lage vaart op periscoopdiepte”, aldus Kuin. „Je hebt dan alle communicatiesystemen voorhanden.” De Medium Range Sonar, de periscoop en de elektronische oorlogvoering (EOV) draaiden op volle toeren.
Bron: Reformatorisch Dagblad, 2001


